• headlines 
  • > Green IT Management

Slimmer werken dankzij IT

Cisco en Amsterdam samen in duurzaamheidsprogramma


Cisco, JobCohen.site.jpg Niet alleen Al Gore werpt zich op als ambassadeur van het milieu, ook zijn voormalige baas Bill Clinton zet zich in voor duurzaam energiegebruik. Daar is onder meer het Clinton Global Initiative uit voortgekomen, waar in Nederland de gemeente Amsterdam aan deelneemt. Netwerkleverancier Cisco, initiatiefnemer achter de samenwerking, heeft een aantal mensen volledig vrijgemaakt om het Clinton Global Initiative te begeleiden. Er is dan ook sprake van een intensieve samenwerking tussen Cisco en de gemeente Amsterdam.

Door Marco van der Hoeven


Binnen het kader van het Clinton Global Initiative zijn Cisco en de drie steden -San Francisco, Amsterdam en Seoel- een samenwerkingsverband aangegaan, het zogenaamde. Connected Urban Development-programma, om met slimme inzet van it te komen tot vermindering van de CO2-uitstoot. Daarbij gaat het niet alleen om het groener maken van it in de datacenters, al maakt dit wel onderdeel uit van het programma. Belangrijker nog dan de reductie van energie die it zelf consumeert, is de constatering dat it - mits goed toegepast - een enorme besparing oplevert in de energiekosten.
De betrokkenheid van Cisco bij het Clinton Global initiative is ruim een jaar geleden ontstaan, toen ceo John Chambers een programma lanceerde waarbij hij aankondigde zowel intern als extern te gaan werken aan een stevige reductie van CO2-emissies door middel van slimmer gebruik van it. Zo heeft Cisco onder meer de eigen netwerktechnologie ingezet om minder te gaan reizen. Doelstelling is om uiteindelijk te komen tot een reductie van de CO2-emissie van 20 procent (zie kader).
Ook de externe campagne van Cisco heeft deze doelstelling. Bas Boorsma, in Nederland bij Cisco verantwoordelijk voor het Clinton Global Initiative: "Je moet een hoogwaardige oplossing hebben om te komen tot een vervanging voor transport. E-werken zien wij als werken waar dan ook, wanneer dan ook, zonder dat technologie daarbij een obstakel is, sterker nog: het juist faciliteert. Nederland heeft goede verbindingen, maar het kan nog veel beter. Wanneer je overal voldoende bandbreedte hebt, kun je overgaan tot een virtuele aanwezigheid die zo goed is dat mensen geneigd zijn de auto te laten staan."
Boorsma refereert hierbij aan een van de doelstellingen van het Connected Urban Development-programma. CUD heeft drie pijlers: slimmer werken, slim transport en groene it. Onderdeel hiervan is het opzetten van zogenoemde satellietkantoren in de buurt van knooppunten als snelwegen of vliegvelden.
Boorsma: "Niet alle ondernemingen kunnen medewerkers voorzien van werkplekken die door bijvoorbeeld de Arbo-dienst goedgekeurd zijn. Daar kunnen satellietkantoren een rol in kunnen spelen, bijvoorbeeld als je een keten van dergelijke kantoren om Amsterdam kunt plaatsen, zodat je letterlijk duizenden auto´s onttrekt aan het verkeer."

Verkeerscongestie
Het eerste satellietkantoor wordt ondertussen als prototype ingericht in de buurt van Almere. "Amsterdam heeft al een intensieve samenwerking met Almere op het gebied van de zogenoemde Noordvleugel, waar verkeerscongestie een groot probleem is, aldus Ronald Prins, directeur milieu en bouwtoezicht bij de gemeente Amsterdam. "Wanneer je in het hele land een substantieel aantal van dergelijke kantoren realiseert heeft het ook zin. In Almere gaan we nu eerst uitzoeken hoe het allemaal werkt. Je hoeft mensen niet zoveel meer te laten reizen. Je kunt hen gewoon laten werken op de plek waar ze op dat moment zijn."
Boorsma: "We realiseren ons dat transport niet verdwijnt. Mensen blijven van A naar B gaan, willen elkaar ook graag ‘face to face' blijven ontmoeten. Maar je kunt hen wel in bredere zin helpen door hun reisgedrag beter te organiseren." Daarom werkt Cisco in samenwerking met de gemeente Amsterdam met het MIT in Boston aan de zogenoemde Personal Travel Assistant (PTA). "De PTA is een concept waar allerlei informatiestromen samenkomen, gericht op de reiziger die nu niet voldoende informatie heeft. Het biedt een aantal informatiestromen op mobieltje, routeplanner of laptop, over bijvoorbeeld files: waar staan ze, wat zijn de alternatieven, waar zijn de vertragingen van het alternatief, en geeft antwoord op vragen als: kan ik nu alvast mobiel een parkeerplek reserveren, of gebruikmaken van een plek in een satellietkantoor?"

Prins: "Wanneer je mensen uit de auto in diverse vormen van openbaar vervoer wilt krijgen, moet je een systeem creëren van deur tot deur. Het meest gebruikte argument om het openbaar vervoer niet te gebruiken is dat het teveel tijd kost. Dat argument willen we weghalen. Daarvoor moet nog wel veel gebeuren; het is een technisch hoogstandje. We streven ernaar om in 2010 een prototype te hebben."
Het Clinton Global Initiative wordt gedragen op hoog niveau. Zo zijn naast Bill Clinton en John Chambers de burgemeesters van Amsterdam, San Francisco en Seoel persoonlijk betrokken bij het initiatief. Op die manier hopen de initiatiefnemers daadwerkelijk bruikbare, repliceerbare, resultaten te boeken. Prins: "Met het Clinton Global Initiative proberen we wereldwijd fundamentele zaken aan te pakken. We proberen niet achter de waan van de dag aan te lopen, en al die duizenden dingen op het gebied van duurzaamheid en klimaatverandering die je iedere dag om de oren vliegen. Het doel is grote zaken op de agenda te krijgen, en daarvoor oplossingen te vinden."

Draagvlak
Boorsma: "Het is belangrijk om te onderstrepen dat dit op hoog niveau wordt gedragen. Daardoor krijg je ook binnen de stedelijke besturen en ambtelijke apparaten meer draagvlak." De reacties zijn volgens hem overwegend enthousiast, vooral van mensen die zich al veel langer met milieu en duurzaamheid bezig houden: "Zij zien dat er nu kritische massa ontstaat, terwijl ze zich voorheen vaak een roepende in de woestijn hebben gevoeld."
Vanwege de radicale veranderingen die kunnen voortkomen uit de gevonden oplossingen, bestaat er echter ook weerstand: "Je hebt op alle niveaus mensen die niet weten wat ze ermee moeten. De grootste bezwaren komen voort uit het feit dat de problematiek rond duurzaamheid zich nooit laat regeren vanuit één ambtelijke dienst. Dit soort zaken gaat alle diensten aan. De schaalbare oplossingen die het moeten gaan doen, moeten door alle afdelingen en ministeries gedragen worden."
Ook bij dit soort initiatieven is  een businessmodel belangrijk. "De investeringen moeten zich terugverdienen, en de opbrengst moet aantrekkelijk zijn. Mensen die er moeite mee hebben zijn vaak degenen die duurzaamheid hebben benaderd als een pakket strafmaatregelen. Zij moeten vooral zien wat de voordelen zijn. Het mooie aan het Connected Urban Development-pogramma is dat we goed kunnen laten zien waar die voordelen zitten."
Prins: "Het moet aantrekkelijk zijn om mee te doen. Mensen zijn eenduidige wezens die vanuit een ‘what's in it for me'- principe handelen, en als het hen moeite kost is het lastig ze over te halen. Je moet hen de voordelen laten ervaren. Dat onderdeel staat hoog op de agenda, en we denken er hard over na hoe we dat kunnen bereiken. Het gaat om de ‘mindset'. Overigens helpt de hoge energieprijs ons. Je kunt eenvoudig uitleggen dat energiebesparing veel geld oplevert.".
Boorsma pleit voor een realistische benadering: "Je mag ook de beperkingen van het programma zien. Onze ambitie is niet dat het morgen allemaal anders is. We geven een startschot met tastbare experimenten die voor iedereen inzichtelijk zijn, met een beeld van de veranderingen die eraan komen. Een mobiele functie die een betere ervaring met het openbaar vervoer mogelijk maakt, hoef je niet uit te leggen. Maar om te komen tot een situatie waarbij de mensen een bepaald aantal dagen uit de kantooromgeving worden gehaald, duurt een stuk langer; daar gaat zeker een generatie overheen. Maar je moet wel ergens beginnen."

Het goede voorbeeld
Het Connected Urban Development-programma heeft voorlopig een looptijd van vijf jaar. Cisco heeft een bedrag vrijgemaakt van vijftien miljoen dollar. Boorsma: "Dat bedrag is wel variabel, het kan meer of minder worden, afhankelijk van de gang van zaken. Het grootste deel investeren we in het mogelijk maken van onderzoek, bijvoorbeeld met MIT, maar ook met lokale academische partners."
Hoewel het programma vanwege de flexibiliteit beperkt blijft tot de drie oorspronkelijk deelnemende steden, bestaat er wel veel belangstelling vanuit andere gemeenten. Naast de samenwerking met Almere, is er ook met andere gemeenten overleg. Zo zijn er gesprekken gaande tussen Amsterdam en Rotterdam over duurzaamheid, maar ook kleinere gemeenten zijn geïnteresseerd in het programma.
Amsterdam is zelf al volop bezig met een beleid dat gericht is op duurzaamheid. Zo is de gemeente onder meer in gesprek met ict-dienstverleners. Prins: "We willen kijken hoe je die weilanden vol met servers slimmer krijgt. De grote providers hebben allemaal een eigen datacenter met servers. Die kun je ook bij elkaar brengen in bijvoorbeeld serverflats. Door de grote schaal kun je daar veel mee winnen."
Milieu speelt eveneens een rol bij de uitbreiding van Amsterdamse bedrijventerreinen. Prins: "Aan de Zuid-as komt de tweede bouwstroom op gang, en daarvoor gaan we duurzaamheidseisen opstellen. Denk aan de eis dat een international die daar een kantoor gaat vestigen, moet zorgen voor teleconferentiefaciliteiten om vliegbewegingen te verminderen. ‘Smart building'-concepten zullen in ieder geval onderdeel van de duurzaamheidseisen uitmaken."
De gemeente steekt ook de hand in eigen boezem; er is nog veel te doen. Prins: "Toen ik hier acht jaar geleden kwam werken, was ik verbijsterd over het feit dat iedereen alles zelf deed. Zo heeft de gemeente Amsterdam 350 panden in gebruik, en in de helft daarvan staat meestal een eigen server. Dat is niet altijd de meest efficiënte zaak. Inmiddels zijn we zover dat we een centrale regie opzetten.
"We hebben een directie ICT die nu opdracht heeft een plan te schrijven waarin de it geregeld wordt vanuit één serverpark van de gemeente. Daarnaast werkt iedereen nu met een pc op het netwerk, maar je kunt ook met slimme terminals gaan werken. Over de achterliggende gedachte is niet veel discussie meer, alleen het uitrollen heeft wat meer voeten in de aarde."
Juist het goede voorbeeld is volgens Boorsma belangrijk: "De heilige-graal-woorden van het programma zijn ‘repliceerbaarheid' en ‘schaalbaarheid'. De belofte is niet dat we de drie deelnemende steden CO2-neutraal maken, maar dat we door middel van al die maatregelen in de steden tot experimenten komen die leiden tot inzichten, modellen, pilots en diensten die succesvol zijn binnen de deelnemende steden en die bovendien repliceerbaar zijn op de plaatsen met de snelste groei, zoals in China of India. Voor hen is het onder meer belangrijk dat ze middelen en handreikingen krijgen. En het mag de groei van hun economie niet schaden."

Minder reizen

Cisco heeft ondertussen de eerste resultaten bekend gemaakt van het programma om door middel van telewerken minder te gaan reizen. Het bedrijf heeft momenteel 132 hoogwaardige Telepresence-faciliteiten in grote steden over de hele wereld. De bezettingsgraad is hoog, 44 procent, tegen nog niet een procent bij standaard-videoconferentievoorzieningen. Tot nu toe zijn 28.813 vergaderingen via deze apparatuur verlopen, een gemiddelde van 753 per maand. Zo'n 6.000 reizen zijn daarmee uitgespaard, wat naast een aanzienlijke CO2-reductie al een kostenvoordeel heeft opgeleverd van 47 miljoen dollar.

  • Share |

gerelateerde items

/ Geen gerelateerde artikelen aanwezig.



advertenties