Op weg naar ‘eGovernment’

024-025_IT06_TECH_eGov_iStock_000007159986Medium.jpg De deadline nadert snel. Aan het eind van dit jaar moeten overheden in Europa volgens de Europese Dienstenrichtlijn eGovernment daadwerkelijk geïmplementeerd hebben. Onlangs is daarvoor in recordtijd een standaard opgesteld om informatie tussen decentrale overheidsorganisaties nationaal en internationaal eenduidig uit te wisselen, eGov-Share. Met dit instrument kunnen gemeenten, al dan niet op basis van open-source, de laatste stap zetten naar de daadwerkelijke invoering van eGovernment.


Op 28 december 2009 treedt officieel de Europese Dienstenrichtlijn in werking. Het doel van deze richtlijn is het bevorderen van de uitwisseling van diensten tussen de lidstaten. Een essentieel onderdeel van deze richtlijn is het vereenvoudigen van de administratieve lasten. Dit betekent concreet dat de overheid verplicht is om aan het eind van dit jaar de eigen informatievoorziening eenduidig en digitaal georganiseerd te hebben. Deze verplichting raakt met name de decentrale overheid, die op dat moment haar digitale loket op orde moeten hebben.
De Europese normalisatiecommissie CEN heeft in het kader van deze Europese Dienstenrichtlijn een standaard voor eGovernment opgesteld, eGov-Share. De standaarden die door CEN worden opgesteld zijn nooit verplicht, maar bieden wel een eenduidig en internationaal instrument dat overheidsinstellingen in alle Europese landen kunnen gebruiken om eGovernment in te voeren en informatie uit te wisselen.
De it-standaard eGov-Share is naar Europese maatstaven ongewoon snel tot stand gekomen, namelijk ruim binnen een jaar. In een reeks speciale workshops zijn vertegenwoordigers uit bedrijfsleven en overheid bij elkaar gekomen om de standaard op te stellen, In februari is in deze workshop overeenstemming bereikt over de specificaties. Die moeten weliswaar nog officieel worden geratificeerd, maar dat is - als alles volgens verwachting verloopt - niet meer dan een formaliteit.

Veel eigen standaarden
Een van de deelnemers aan de workshops is Sven Abels, projectcoördinator bij TIE Holding. Hij heeft als een van de technisch specialisten meegeschreven aan de specificaties voor eGov-Share, die op de laatste bijeenkomst hebben geleid tot het advies aan CEN. Volgens Abels heeft CEN de workshops zo georganiseerd dat de standaard sneller dan gebruikelijk tot stand is gekomen. De daaruit volgende aanbeveling die er nu ligt moet nog door een politiek proces heen, dat wat meer tijd kost. Maar technisch is de standaard bruikbaar, en kunnen overheden ermee aan de slag.
Abels: “eGov-Share is niet verplicht voor de lokale overheden, maar met deze standaard beschikken ze wel over een unieke manier om onderling te communiceren. Want tot nu toe gebruiken lokale overheden in Europa ieder hun eigen standaarden, en dat is niet goed voor de uitwisseling van informatie tussen lokale overheden in verschillende landen, en het werkt ook niet binnen die landen. Met eGov-Share hebben ze één standaard waarin de ‘resources’ en informatie op een eenduidige manier worden beschreven.”
Abels ziet dat veel overheden in Europa nog weinig hebben gedaan met eGovernment. Toch is de deadline er eind dit jaar al. Het is dus zaak zo snel mogelijk te beginnen. “Hoe lang het proces uiteindelijk duurt, hangt van de overheden zelf af. De eerste stap is in ieder geval het analyseren van de bestaande infrastructuur. Wanneer ze vervolgens weten waar ze staan, is het belangrijk te bepalen welke diensten ze willen aanbieden. Bij het beschrijven van die diensten kunnen ze tenslotte gebruikmaken van de specificaties in de eGov-Share-standaard. Alle technische zaken en wat ze ermee moeten doen staan beschreven in het format dat wij hebben gemaakt.”

Balie passé
De manier waarop gemeenten invulling geven aan de Europese Dienstenrichtlijn, kunnen ze dus zelf bepalen. Dit geeft de decentrale overheid volop ruimte om gebruik te maken van open-source. Een van de voorvechters hiervan is Ernst van Altena, systeembeheerder bij de gemeente Heemskerk: “Ik wil de overheid meegeven dat ze de open-sourcegedachte hierbij niet moeten vergeten, want dat is toch een van de snelst groeiende platforms die gemeenten met elkaar bindt.”
Volgens Abels biedt eGov-Share inderdaad aanknopingspunten voor open-source. “We hebben nadrukkelijk naar bestaande standaarden gekeken bij het beschrijven van de specificaties, en hebben op een aantal gebieden zelf ook gebruik gemaakt van open-source. Daarnaast zijn al onze specificaties volkomen open.”
De komende Europese Dienstenrichtlijn markeert volgens Van Altena een andere manier van denken bij de decentrale overheid. “We stappen af van de traditionele werkwijze. De overheid is heel lang gericht geweest op het doen van zaken aan de balie. Dat zie je veranderen. Bij allerlei gemeenten is men bezig met het ontsluiten van werkprocessen, en het opzetten van digitale dienstverlening,” aldus Van Altena.
“Dat gaat niet altijd even makkelijk, en ik denk dat de richtlijn en de eGov-Share standaard daarbij kunnen helpen. De lokale overheden worden bij de hand genomen om eGovernment gerealiseerd te krijgen. Het gaat niet meer om de balie, de menselijke schakel gaat ertussenuit. Die gedacht moet er inkomen bij de overheid.”

De kracht van open-source
Omdat de wettelijke verplichtingen rond eGovernment veel investeringen vergt, neemt de samenwerking tussen gemeenten toe. “Gemeenten proberen met elkaar en van elkaar te leren. Die samenwerking ontstaat op een natuurlijke manier vanuit de decentrale overheid.” Onderdeel van die steeds intensiever samenwerking is een serieuze benadering van open-source. Van Altena: “Een paar jaar gelden was open-source weliswaar hip bij gemeenten, maar bleef het in veel gevallen niet meer dan een kreet. Het werd daarmee een doel op zich, terwijl automatisering geen doel, maar een middel is.”
De manier waarop open-source bij de overheid wordt ingezet, is meer volwassen. ”Men begint in te zien wat je er allemaal mee kan. Want als je een product bij een ‘closed-source’ firma koopt, betaal je licenties op basis van bepaalde parameters, bijvoorbeeld het aantal inwoners. Die bedragen kunnen behoorlijk hoog zijn, en vormen een flinke investering voor gemeenten. We zien nu dat veel gemeenten, zowel groot als klein, elkaar opzoeken en een bedrag investeren om gezamenlijk iets te laten ontwikkelen. Hiermee betaal je dus niet meer dan één keer de ontwikkelkosten, en zit je niet vast aan torenhoge licentiekosten.”
“Door die samenwerking kun je generieke technologie ontwikkelen, en is het voor met name kleine gemeenten mogelijk mee te liften op de successen van grotere gemeenten. Ze kunnen met een geringe investering hun doelstellingen realiseren. Dat is de kracht van open-source.”
Deze ontwikkeling heeft al zichtbaar effect op de manier waarop de closed source-bedrijven omgaan met gemeentelijke automatisering. Van Altena: “Hun reactie valt me alleszins mee. Ze beginnen nu ook mee te denken over open koppelvlakken, zodat het mogelijk wordt een interface te maken met hun producten vanuit andere pakketten. Zij voelen ook de hete adem van open-source in hun nek. Gemeenten willen uiteindelijk ook af van afhankelijkheid van bepaalde partijen. En dat ze meewerken is een goede zaak, want los van open-source heb je ook de jarenlange expertise van de closed source partijen nodig. Als zij open koppelvlakken leveren, krijg je een natuurlijk evenwicht.

‘Deadline haalbaar’
Nederlandse gemeenten zijn over het algemeen al goed op weg met eGovernment. Van Altena is dan ook optimistisch over het invoeren van de richtlijn. “De deadline is haalbaar. Maar dan moet je wel nu beginnen de zaken in gang zetten, anders ga je het niet redden. En daarbij is digitaliseren niet het probleem, maar het inrichten van het werkproces, en het organiseren van de beheerorganisatie erachter. De mensen moeten wel kunnen omgaan met de nieuwe software.”


  • Share |


vacatures



shop tip


advertenties