• column 
  • > René F.W. Diekstra

Schaf pensionering gewoon af!

Onlangs was ik voor een congres uitgenodigd in Malaga. Tot mijn stomme verbazing bleek het hele gebied van Malaga tot zo ongeveer Gibraltar, 120 kilometer kustlijn en achterland, mudvol te zitten met Nederlanders, zo tussen de 55 en 80 jaar.

Zij hebben daar een tweede of derde huis. Een groot deel daarvan werkt niet meer en houdt zich vooral bezig met in de zon zitten, golfen, andere gezelschapspelen, uit eten en drinken gaan en ouwehoeren. Heel veel van die ‘feestgangers’ zijn in zo'n conditie dat ze zeker nog een jaar of twintig tot dertig meegaan, als het niet meer is.

Velen zijn ook gepensioneerd uit beroepen, waar een groot tekort is. Tegelijkertijd doen ze een meer dan gemiddeld beroep op een aantal van die beroepen, met name op de beroepen in de gezondheidszorg. Er moet dus iets fundamenteel mis zijn met de manier waarop wij onze samenleving nu organiseren.

Laten we even terug in de geschiedenis gaan. Naar verluidt was het de Duitse Kanselier Otto Graf von Bismarck die voor het eerst een zogenaamde pensioneringleeftijd voorstelde. Bismarck stelde die leeftijd, zo omstreeks 1880, op 65 jaar. Slim, want het leverde sociaal gesproken geen enkel probleem op. In die tijd lag de gemiddelde levensverwachting zo tussen de 40 en 45 jaar. De meeste mensen haalden Bismarks pensioneringsleeftijd dus.

Nu, bijna 130 jaar later, gebruiken we nog altijd maximaal Bismarcks leeftijdsgrens. Maar meestal duiken we daar ruim onder. Piloten bijvoorbeeld worden al op hun 55ste gepensioneerd. Uit veel andere beroepen kun je nog altijd vervroegd uittreden, dat wil zeggen zo tussen het 57ste en 61ste jaar.

En dat terwijl de gemiddelde levensverwachting nu bijna twee keer zo hoog is als in Bismarck's tijd. Het is misschien leuk voor al die oudere mensen dat ze nog een groot aantal jaren hebben, vaak een derde van hun leven, waarin ze geen arbeidsverplichtingen meer hebben.

We werken te weinig

Maar het klopt niet. Laten we eens een eenvoudig rekensommetje maken. Stel dat de gemiddelde jongere tot zijn twintigste een opleiding volgt. Stel verder dat hij of zij vervolgens tot het zestigste jaar werkt. Stel voorts de gemiddelde levensverwachting op 80 jaar.

Dat betekent dat we zo'n 40 jaar werkzaam zijn. In die 40 jaar werken we gemiddeld zo'n 45 weken van 40 uur. Dat levert in totaal 72000 werkuren op. Dat lijkt behoorlijk wat.

Maar in onze 80 jaren hebben we wel zo'n kleine 700.000 uur (80 x 52 (weken) x 7 (dagen) x 24 uur) ter beschikking. Dat wil zeggen dat we zegge en schrijve 10,5 % (tien-en-half procent) van ons leven op ons werk doorbrengen. Althans op ons betaald werk.

In dat tiende van ons leven moet het dus allemaal verdiend worden. En moet het ook allemaal en voor iedereen gedaan worden. Dat kan natuurlijk niet. Zeker in beroepen waar machines het werk niet gemakkelijk of helemaal niet kunnen overnemen, moet dat tot grote tekorten leiden.

We werken dus helemaal niet veel. Zelfs als we de eerste en laatste twintig jaar van ons verwachte leven niet meerekenen, dan werken we nog maar 21 % van de beschikbare tijd in de tussenliggende veertig jaar. Sommigen zullen roepen dat niet iedereen in die jaren werken kan, om welke reden dan ook.

Maar zelfs als in de werkzame jaren maar drie kwart van de mensen zou werken, dan werken die toch niet meer dan ongeveer 1/3 van hun tijd. Slapen ze 7 tot 8 uur per dag, dan houden ze nog zo'n 7 a 8 uur over voor andere dingen. Naast nog eens veertig jaar waarin ze helemaal niet hoeven te werken.

De conclusie is duidelijk. We werken te weinig en te weinig van ons werken. Dus komen we handen en mensen tekort. Het woord pensioen is afgeleid van het Latijnse werkwoord pendere, dat afwegen betekent. Het wordt hoog tijd dat we opnieuw gaan afwegen hoe de verhouding tussen wat we willen en wat we er voor willen doen, er in de toekomst uit moet zien.

Het argument dat iemand die niet meer hoeft te werken voor zijn geld, daarom niet meer hoeft te werken, moet van tafel. Dat leidt tot maatschappelijke onrechtvaardigheden, waarbij de rijke oudere zich verzorging kan kopen die de armere oudere moet ontberen.

Zoals we nooit te oud zijn om te leren, zijn we ook nooit te oud om te werken. Natuurlijk mag de verhouding tussen werken en vrije tijd op latere leeftijd een andere zijn dan op jongere. Maar niemand mag meer volledig met pensioen. Dat vind ik, gezien de nijpende tekorten en kosten, een echte sociale ‘afweging’.

  • Share |

gerelateerde items

/ Geen gerelateerde artikelen aanwezig.



advertenties