• column 
  • > René F.W. Diekstra

Pessimisme is een morele plicht

Het is inmiddels gemeengoed onder politici, opiniemakers, wetenschappers en zakenlieden om, in navolging van de wetenschapsfilosoof Karl Popper, te roepen dat optimisme een morele plicht is.


Oftewel: als wij al onze mogelijkheden aangrijpen, dan komt het goed met deze wereld. Dan zijn gezondheid, rechtvaardigheid, vrede, veiligheid en voorspoed uiteindelijk voor iedereen bereikbaar.

Dat is niet tegen dovemansoren gezegd. Niet alleen omdat het een aantrekkelijke levensvisie is. Ook omdat de evolutie ons heeft uitgerust met wat de evolutionaire psychologie een ‘optimisme-bias’ noemt, een evolutionair geprogrammeerde neiging om de wereld en onszelf overwegend door een roze bril te zien.

En inderdaad, hoeveel aandacht er tegenwoordig ook is voor een verschijnsel als depressie, statistisch gezien blijft een betrekkelijk zeldzaam fenomeen, een stemmingsstoornis. Anders gezegd, een ‘ongestoorde’ stemming is een optimistische stemming. Dat roept een intrigerende vraag op. Aangenomen dat de evolutie ons indertijd met de optimisme-bias heeft uitgerust, wil dat zeggen dat optimisme ook nu nog de beste levenshouding is?

Het is waarschijnlijk dat onder de omstandigheden waaronder onze evolutionaire uitrusting zich heeft ontwikkeld vele tienduizenden jaren geleden, optimisme inderdaad de meest effectieve levenshouding was. Maar dat wil niet zeggen dat dit nu nog zo is. Een paar ‘moderne’ voorbeelden:

Als aan rokers gevraagd wordt of hun kans op longkanker groter of kleiner is dan die van de gemiddelde roker, antwoorden ze doorgaans met ‘kleiner’. De optimisme-bias dus. Maar het kan natuurlijk niet dat alle rokers een lagere dan gemiddelde kans op longkanker hebben.

Overoptimisme

Ander voorbeeld: als we aan stellen die vandaag trouwen vragen of hun risico op scheiding groter of kleiner is dan die van het gemiddelde nieuwe echtpaar, zeggen ze praktisch allemaal dat hun risico aanzienlijker kleiner is. Het opmerkelijke is dat die overoptimistische beoordeling niet verandert als mensen eenmaal een scheiding hebben meegemaakt.

Ook stellen die voor de tweede keer trouwen, zeggen dat hun risico op scheiding lager is dan het gemiddelde. Ze zeggen bovendien dat ze in dit tweede huwelijk gemiddeld gelukkiger zullen zijn dan in het eerste. Maar volgens onderzoek zijn tweede huwelijken gemiddeld niet gelukkiger.

Nog een voorbeeld: aan startende ondernemers werd gevraagd hoe groot ze de kans achtten dat een bedrijf als het hunne na twee jaar een succes zou blijken. Het geschatte gemiddelde succespercentage bleek 50% (aanzienlijk hoger dan het percentage nieuwe bedrijven dat werkelijk een succes wordt).

Hen werd ook gevraagd hoe groot ze de kans achtten dat hun eigen bedrijf na twee jaar een succes zou blijken. Nu steeg het geschatte gemiddelde succespercentage tot naar liefst 90%! Bijna 4 keer zo hoog als het werkelijk succespercentage.

Nog een voorbeeld: tal van huizenkopers hebben de afgelopen jaren een tophypotheek genomen omdat ze er zeker van waren dat hun huis jaar na jaar meer waard zou worden en waarde en hypotheek zo vanzelf wel in evenwicht zouden komen.

De werkelijkheid kennen we inmiddels. Tal van huizenbezitters die nu in ernstige problemen zijn gekomen bij verkoop van hun huis of verlenging van hun hypotheek.

Niet effectief

Vanwaar steeds deze optimisme-bias tegen beter weten in? De verklaring kan in ieder geval niet zijn: omdat ze effectief is. Want blijkbaar beschermt ze niet tegen longkanker, scheiding, ongelukkig-worden, bedrijfsondergang of persoonlijk faillissement.

Eerder het tegendeel. Het antwoord moeten we zoeken in dat wat het grondmotief achter de optimisme-bias is. Dat is dat wij evolutionair een vreselijke hekel hebben aan ons kwetsbaar voelen.

Voor onze voorouders gold inderdaad dat zij buitengewoon kwetsbaar waren. Zij werden constant omringd door bedreigingen die hun krachten verre te boven gingen, variërend van grote roofdieren tot ziekteverwekkers en natuurlijke bedreigingen zoals kou, hitte, gebrek aan voedsel, drinkwater, armoede.

Onder die omstandigheden was optimisme een absolute overlevings- en levensvoorwaarde. Alleen wie de houding ontwikkelde om ondanks alle bedreigingen toch de minste of geringste mogelijkheid aan te grijpen zich te voeden, te wapenen, een partner te nemen en zich voort te planten, had een kans het te redden.

Kortom, de evolutie moest op optimisme selecteren. Maar vandaag is onze kwetsbaarheid veel geringer en onze mogelijkheden vele malen groter. Daarmee is het aangrijpen van iedere mogelijkheid ons te voeden, partners te nemen en voort te planten, risico’s te nemen en rijk te rekenen vooral een bron van ellende geworden. Van ziekte, overgewicht, relatieproblemen, overbevolking, overproductie, overconsumptie, milieuvervuiling en schulden.

Conclusie? In deze tijd is pessimisme minstens zozeer een morele plicht als optimisme.


  • Share |

gerelateerde items

/ Geen gerelateerde artikelen aanwezig.



advertenties